‘Misschien creëert filantropie wel ongelijkheid in de samenleving’


Bijzonder hoogleraar prosociaal gedrag René Bekkers wil erachter komen welk effect giften en vrijwilligerswerk hebben op de samenleving.

René Bekkers774 miljoen pond ontvingen universiteiten in het Verenigd Koninkrijk vorig jaar uit giften. De nieuwe bijzonder hoogleraar prosociaal gedrag aan de VU René Bekkers, die op 25 april 2013 zijn redevoering hield, zag dat recent op de BBC. In Nederland is dat heel wat minder, maar, denkt hij, daar zou wel eens verandering in kunnen komen. De Britse universiteiten begonnen pas echt met fondsenwerving toen premier Margaret Thatcher in de jaren tachtig de geldkraan dichtdraaide. Nederlandse hogeronderwijsinstellingen krijgen ook steeds minder geld van de overheid. De vraag is alleen of het in ons land hetzelfde effect zal hebben.

René Bekkers wil met zijn onderzoek een stap verder gaan dan bestuderen welke mensen en instellingen geld doneren en wie het geld ontvangen. Daar is inmiddels al veel over bekend door het onderzoek Geven in Nederland, dat al sinds 1995 elke twee jaar wordt uitgevoerd. Kerkelijke mensen geven bijvoorbeeld meer en hoger opgeleiden ook. De ontvangers zijn de kerk, goede doelen voor sport, dierenwelzijn, zieken, etc. ‘Het nieuwe aan het onderzoek van mijn leerstoel’, zegt Bekkers, ‘is dat we de effecten van filantropie op de samenleving gaan onderzoeken. Wat is de maatschappelijke betekenis ervan? Hoe verandert de samenleving doordat mensen meer of minder geven?’

Hoogopgeleiden guller
Neem als voorbeeld de Britse universiteiten. De universiteiten die de meeste giften kregen, waren de vooraanstaande instellingen Oxford en Cambridge. Het filantropische geld is dus niet gelijk verdeeld over alle universiteiten. Dat is misschien vanzelfsprekend, maar het heeft ook gevolgen. De al rijke universiteiten kunnen daardoor nog meer geld uitgeven aan onderwijs en onderzoek, waardoor ze nog strikter kunnen selecteren welke studenten en wetenschappers ze binnenboord halen. Dat is voor de score van de universiteit in de internationale ranglijsten heel positief. Maar voor René Bekkers is het aanleiding om zich af te vragen of het ook positief is voor de samenleving of dat filantropie ook ongelijkheid kan creëren.

In Nederland spelen andere vragen. Bekkers: ‘Uit onderzoek blijkt dat iemands opleiding bepaalt hoeveel hij geeft. Hoger opgeleiden zijn guller. Waarom? Niet alleen omdat ze meer verdienen. Ze lijken meer vertrouwen te hebben in de goededoelenorganisaties, worden vaker gevraagd om te geven, hebben grotere netwerken en zijn meer betrokken bij de maatschappij. De vraag die ik dan wil stellen is: worden we een betere samenleving als er meer hoger opgeleiden zijn?’

Voor onderzoek naar filantropie zijn het gunstige tijden. De overheid bezuinigt en wil dat mensen minder leunen op de staat. De rol van de filantropie in de samenleving is daardoor aan het veranderen. Steeds meer organisaties zijn voor hun voortbestaan van giften afhankelijk. Dat zijn niet alleen de traditionele goede doelen, maar ook organisaties waarbij mensen al betalen voor diensten, zoals ziekenhuizen, culturele organisaties en bibliotheken. Als al die instellingen inkomsten willen halen uit giften, moeten ze op zoek naar draagvlak in de samenleving in plaats van zich voornamelijk op de overheid te richten voor subsidie. Dat gaat volgens René Bekkers onze samenleving veranderen. Maar hoe, dat is nog de vraag. En dat is precies wat zijn onderzoek zo spannend maakt, vindt hij.

Meer gegeven dan gedacht
Om dat soort vragen te kunnen beantwoorden, combineert de van huis uit socioloog meerdere onderzoeksmethoden, uit de sociale wetenschappen, psychologie en economie. Dat is volgens hem de beste manier om ook echt antwoord te krijgen op de vragen die je hebt. ‘In de sociale wetenschappen werken we veel met vragenlijsten en grote groepen mensen. Dat levert heel veel gegevens op, maar hoe weet je dat de resultaten kloppen en dat mensen bijvoorbeeld niet een sociaal wenselijk antwoord hebben ingevuld? Door dan bijvoorbeeld ook naar administratieve gegevens van goede doelen te kijken, kun je de enquêtes checken.’

Hoeveel hebt u gegeven aan de actie Kerkbalans?, staat bijvoorbeeld als vraag in de Geven in Nederland-enquête. De onderzoekers vergelijken wat uit hun enquêtes komt vervolgens met de administratie van de kerken. Zowel bij de katholieke als bij de protestantse kerk is vrij precies bekend wat is binnengekomen per gever. Dan blijkt dat het bedrag dat mensen denken dat ze gegeven hebben maar ongeveer twee derde is van wat de kerken hebben gekregen. Door sociaalwetenschappelijke en economische methoden te combineren, weten we dus dat mensen soms onderschatten hoeveel ze gegeven hebben. Overschatten doen ze trouwens ook.

Op dezelfde manier is het volgens René Bekkers beter om naast enquêtes onder een grote groep mensen ook psychologische experimenten te doen met een kleine groep. De psychologie kan kijken wat filantropie met mensen doet. ‘In een studie kregen mensen twintig dollar. De ene groep moest iets leuks kopen voor zichzelf en de andere groep voor een ander. ’s Avonds bleek de groep die iets voor een ander had gekocht zich veel beter te voelen dan ’s middags toen ze het geld kregen, terwijl het humeur van de groep die voor zichzelf aan het shoppen was gegaan weinig was veranderd. Mensen worden blijkbaar gelukkiger van iets doen voor een ander.’ Welk effect dát heeft op de samenleving, dat horen we hopelijk nog eens.